Het komt in de beste families voor. En bij de aardigste mensen. Zodra ze de telefoon opnemen verandert er iets in hun stem. Opeens klinken ze zakelijker, formeler en afstandelijker, dan past bij het beeld dat ik van ze heb. Hun stem zakt, wordt minder bewegelijk, klinkt soms ronduit kortaf. Hetzelfde gebeurt wanneer ze hun welkomstboodschap voor voicemail inspreken. En dat is een probleem. Want het voelt niet welkom. Wat gebeurt daar?

De mensen die ik er naar gevraagd heb zijn het zich niet bewust. Ze reageren zelfs verschrikt. Hoe het komt weten ze ook niet. Als we doorpraten wordt er wel iets duidelijk. Er blijkt een rode draad te zijn: ze houden niet van de telefoon. Zonder uitzondering.

Ze spreken liever “gewoon” met mensen; terwijl ze elkaar kunnen zien. Aan de telefoon missen ze het nonverbale element en voelen zich daardoor niet op hun gemak. Telefoneren voelt voor ze als “praten met de ogen dicht”. Dat maakt ze onzeker. En dat hoor je.

Er zijn ook mensen voor wie de telefoon een natuurlijk verlengstuk is. Hun persoonlijkheid straalt door de telefoonlijn alsof ze voor je staan: in geuren en kleuren. Wat doen zij anders?

Telefoneren is een verplaatsingsoefening. De mensen die het makkelijk afgaat concentreren zich onbewust of bewust zó sterk op de ander, dat ze deze als het ware voor zich zien. Ze maken een plaatje van de ander met wat ze weten en vooral met wat ze horen. Ze kijken met als het ware hun oren en worden warm van wat ze dan zien. En dat hoor je.
Probeer te kijken met je oren. Dan doen we de volgende keer weer luisteren met je ogen.