Om een verkeerde indruk te vermijden leg ik het meestal maar even uit: Terwijl ik een gesprek voer schrijf ik niet of nauwelijks. Ik heb er de tijd niet voor. Of eigenlijk: ik doe liever iets anders.
Wie schrijft die blijft, schrijft men. Ik zou wel willen, maar ik kan het niet, luisteren en schrijven tegelijk. Zodra ik ga pennen, zie ik niet meer wat er gezegd wordt. Ik hoor het nog wel, maar de rest ontgaat me. En die rest wil  ik niet missen.
Ik los het anders op. Na elk gesprek vind ik een paar minuten om tegen mijn voice recorder aan te praten. Een live verslag van wat zojuist gepasseerd is, gestructureerd, met inkleuring, met de hoofdlijnen én de bijzaken. Mijn herinnering is preciezer en completer dankzij mijn gesproken archief.  En ik hoef ook niet meer te puzzelen op mijn eigen handschrift.