De restauranthouder neuriede met Aznavour mee, terwijl hij ons naar tafel begeleidde. En ook toen hij ons de kaart bracht, de bestelling kwam opnemen, de wijn serveerde en met het voorgerecht kwam. Hij bewoog daarbij door zijn restaurant als een keizer op werkbezoek, langzaam, plechtig en onverstoorbaar. Dat wij een beetje haast hadden veranderde daar niets aan. Dat wij opmerkten dat de soep lauw was en de carpaccio niet fris, dat liet hem koud. Alleen werd het neurien ietsiepietsie luider. Het hoofdgerecht kwam op de tonen van La Boheme, alsof hij wilde benadrukken dat hij hier thuis was en wij slechts voorbijgangers. Wat natuurlijk een feit was.
Toen de zelfingenomen Aznavour ons teveel werd, trok ik stoute schoenen aan. Dat moest ik bekopen met een plotse tirade over het gehaast en gestress van westerlingen en met een voortijdig op tafel gesmeten rekening. De vorstelijke sereniteit bleek een pose. Terwijl wij onze jassen opzochten hoorden we hem tekeer gaan in de keuken.
Uit eten mag best een beetje belevenis zijn en een gastheer ook een beetje entertainer. Maar dat is het pluspakket, het begint met vriendelijke bejegening en goede waar. En voor live muziek gaan we wel naar een concert. En om daarvoor op tijd te zijn, mag het eten wel een beetje sneller doorkomen.