Mijn vader leerde me tekenen met perspectief. Daarbij verbind je alles in je gezichtsveld voortdurend met de horizon, met je blik op het “verdwijnpunt”. Objecten, gebouwen, mensen krijgen daardoor een relatie met elkaar. Het één is groter dan het ánder en dít is verder weg dan dát. Het leert je ook dat je eigen plek in het geheel slechts een momentopname is. Een keuze uit oneindig veel standpunten. Neem een nieuwe plek in en opeens is alles om je heen anders.

Standpunten zijn stellingen. Je kunt ze opwerpen, jezelf ingraven en er aan vastroesten. Dat is wat we overal om ons heen zien. Maar je kunt je stellingen ook verlaten en ontdekken dat er andere werkelijkheden zijn, waarin de verhoudingen anders zijn, net als de mogelijkheden en de begrenzingen. Spelen met het perspectief noemen we dat. Het is niet aan iedereen van nature gegeven en tegelijk zouden we er op veel plekken en momenten erg mee geholpen zijn. Het vereist – naast inzicht – een combinatie van zelfrelativering én lef. Het is zeldzaam en het maakt leiders.

Jack Malcolm schrijft uitgebreider over het verschil tussen “viewpoint en perspective”. Dat gaat over het grotere geheel, over verplaatsing in de tijd en verplaatsing in anderen. En het zorgt voor rust en voor dankbaarheid. Grote woorden misschien. Ze komen wel voort uit grotere gedachten.