Dienstmededeling: Nu volgt een kleine maar effectieve verschiltip: Als je spreekt kun je belangrijke zaken een accent geven, net zoals je doet wanneer je schrijft.

Je kunt dingen onderstrepen en vet of cursief maken (met nadruk of met klemtoon spreken). Je kunt op een slimme manier witruimte gebruiken (zwijgen) of hoofdletters inzetten (schreeuwen). Je kunt variëren met lettergrootte (moduleren) en met spatiëring (vertragen). En je kunt in alinea’s spreken, met een begin en een eind en met een tussenkopje.

Tussenkopjes zijn belangrijk voor je boodschap. Op papier, maar in spraak net zo goed. Ze helpen jezelf om na te denken waar je bent in je verhaal en wat je volgende bewering wordt. Ze helpen de ander om de lijn in je betoog te ontdekken en de oren te spitsen op de momenten dat jij het graag wilt. Tussenkopjes zijn er in twee soorten; labels en beweringen. Met een label vertel je iets over het belang van wat je gaat zeggen. Een bewering is de samenvatting van het punt dat je zo gaat maken.

Wat ik hier ter afsluiting schrijf is belangrijk om mee te gaan oefenen. Ik schrijf dit maar een keer, dus neem er goed nota van. Door het gebruiken van tussenkopjes krijg je meer aandacht en wordt je overtuigender. Met tussenkopjes help je je toehoorders. Twee labels en twee beweringen.