Een van de grootste problemen van deze tijd is afwezigheid. Mensen die er niet met hun hoofd bij zijn. Het nieuwe werken heeft er misschien iets mee te maken, maar het is niet de kern. Afleiding door smartphones en tablets is nog zichtbaar en benoembaar. Ter plekke. Je kunt afspraken maken over wanneer ze wel of niet aan staan. Dat komt wel goed op den duur. Daar wennen we wel aan.

Er is een ander soort afwezigheid, die lastiger en ongrijpbaarder is. Ik zie het steeds vaker in gesprekken met kleine en met grotere groepen. Mensen die fysiek aanwezig zijn, maar met hun gedachten totaal ergens anders; niet een beetje afgedwaald, maar heel ver weg van wat er hier gebeurt en wat er nu gezegd wordt. De bijbehorende gezichtsuitdrukking is soms verstard, als van een zombie. “Val mij niet lastig.” Zulke mensen even terug in de groep en bij de les brengen werkt niet. Averechts zelfs.

Een betere manier om er mee om te gaan is direct na afloop en één-op-één. (Mits het je aangaat natuurlijk. Mits het iets met je doet. Mits je betrokkenheid voelt.) Neem zo iemand even apart en vertel wat je zag en wat je voelde. Nieuwsgierigheid? Schrik? Bezorgdheid? En zwijg dan. Laat het niet wegwimpelen, maar hou vast. Respectvol en liefdevol. En geef hem of haar de tijd. In zo’n cruciaal gesprek moeten mensen soms van ver terugkomen.