kleine woordjesGrote woorden zijn er genoeg en om eerlijk te zijn; vaak heb je er niet veel aan. De grote woorden waarmee we onszelf en onze verhalen opblazen vertellen niet zoveel. Behalve misschien de behoefte om iets aan onszelf toe te voegen, iets te compenseren. (En zo vertellen ze dan toch nog iets). De woorden waarvoor ik écht op het puntje van mijn stoel zit zijn de kléine woordjes. Want van de kleinste woordjes leer je het meest.

De eerste groep woordjes waarbij ik mijn oren spits zijn de verwijswoordjes, zoals er, het, ze en men. Als veel zinnen beginnen met zo’n woordje, dan ligt de verantwoordelijkheid vaak elders. Voortduren verwijzen naar iets dat onbepaald en afwezig is benadrukt afhankelijkheid. Het verlokt om te vragen: “En jijzelf, wat is jouw eigen aandeel hierin?”

Dan zijn er de kleine woordjes die ik verwijtwoordjes noem: jij, hij en zij. Ze worden gebruikt om de verantwoordelijkheid heel precies neer te leggen, maar wel op afstand. Wie voortdurend over anderen begint ziet zichzelf kennelijk gevangen in een spel van voor en tegen, van goed en kwaad, van gelijk hebben en krijgen. Op enig moment kun je niet anders dan vragen: “En wat zou jíj kunnen doen, om hier uit te komen?”

Dan blijft één klein woordje over en dat is het woordje ik; het verantwoordelijkheidswoordje. Het woordje ik is een delicaat woordje; wie het weinig gebruikt laat zichzelf niet zien wie het overdrijft roept verdenking op van de zucht naar zelfvergroting. Verantwoordelijk gebruik van het woordje ik  ligt ergens in het midden. Het woordje ik vraagt om oplettendheid. Wie wil weten hoe het zit moet goed naar ik luisteren.

 

>MAIL BIJ NIEUWE BLOGS<