Van het een komt het ander. Zo herlas ik zojuist een krantencolumn en zit ik nu dit stukje te schrijven. Over “focus” en waarom dat iets is, dat we nooit meer moeten willen.

Dat is wel even schrikken. Een scherpe focus is toch de heilige graal van het ondernemerschap? De laatste 20 jaar is er in strategie en marketing geen woord zo dominant geweest als focus, focus, focus. Bedrijven en individuen werden en worden tot treurens toe aangespoord om te kiezen, kiezen, kiezen. Met hyperspecialisatie als uitkomst. Ik doe er zelf vrolijk aan mee, met snel kieskeurig worden en jouw vierkante meter.

Toch raakte J.P. Geelen in zijn vermakelijke column een gevoelige snaar. Is het niet een terechte kritische noot? Hij valt over het woord en ik denk na over het gebruik. Zijn we niet een beetje doorgeschoten met al die focus? Hebben we onszelf niet teveel verdund?

Ik heb het antwoord niet paraat. Zit misschien wel te vast in de focus-doctrine. Tegelijk herken ik bij mezelf (én bij mensen waarmee ik werk) de behoefte aan verbreding in plaats van versmalling. Aan diversiteit in plaats van monotonie. Tegen-de-stroom-en-de-rationale-in een veelheid van verschillende dingen willen doen. En in veel van die dingen nog goed zijn ook. Lekker en goed, alleen soms wat lastig om uit te leggen. “Wat doe je nou eigenlijk Wim?”  “Tsja, heb je even de tijd?”

Maar er is hoop, en Geelen krijgt misschien wel gelijk. De omstandigheden zijn er niet meer naar, dat bedrijven voor elk wissewasje een andere specialist in huis halen. Wat organisaties nodig hebben zijn mensen met een stevig ervaringsfundament en een grote gereedschapkist. Generalisten die twaalf dingen tegelijk kunnen – en net zo makkelijk achterstevoren – als de situatie daar morgen om vraagt. De toekomst is aan de alleskunners, mensen die geen focus (sorry) nodig hebben om te weten waar ze mee bezig zijn. Dat denk ik op zomaar een woensdagmorgen. Of zit ik er naast? Wat denk jij?